huidtest160pxOm dure en belastende voedselprovocaties te vermijden, moeten allergologen beter kijken naar de specifieke achtergrond van hun patiënten in combinatie met testuitslagen.

Bloedtesten en huidpriktesten worden al jaren gebruikt om voedselallergie klinisch vast te stellen. Het grootste nadeel van zulke testen is dat ze alleen sensibilisatie meten, dus of een patiënt antistoffen aanmaakt tegen een allergeen. Helaas wil het aan- of afwezig zijn van antistoffen niet altijd zeggen of iemand wel of niet allergisch is. Veel patiënten moeten daarom een voedselprovocatietest ondergaan om definitief een allergie aan te kunnen tonen. Provovaties zijn vaak duur en kunnen soms ernstige allergische reacties oproepen.

Een team van onderzoekers, waaronder uit het AMC en UMC Utrecht, schrijft in een artikel in het European Journal of Allergy and Clinal Immunology dat het ook anders kan. Aan de hand van specifieke kenmerken van de patiënt, zo zeggen zij, is het mogelijk beter in te schatten of er sprake is van voedselallergie na het bekijken van het testresultaat van een bloed- of huidpriktest.

Zulke kenmerken zijn bijvoorbeeld hoe vaak allergie voorkomt in de bevolking van een bepaald gebied, zijn/ haar etnische achtergrond, leeftijd, leefmilieu en de aanwezigheid van astma of eczeem. Er moet nog wel meer onderzoek gedaan worden om precieze factoren vast te stellen. Ook speelt de vraag mee of patiënten misschien sterker op een allergeen reageren door inspanning, stress, infecties of bepaalde medicijnen.

De onderzoekers stellen een aantal methoden voor, zowel kwalitatief als kwantitatief, voor allergologen om de kans op een vals positieve of negatieve allergietest te verkleinen. Naast kijken naar de achtergrondkenmerken van patiënten is dit bijvoorbeeld allergietesten op specifieke allergeencomponenten zoals Ara h2 bij pinda.

Het volledige academische artikel is hier te vinden >