cure 1006815 640Het placebo-effect komt vaak voor bij klinische studies. Bij studies naar immuuntherapie kan tot 77% van de groep die een placebo krijgt, toch verbetering zien. Hoe kan dat?

Dat wilde de European Academy of Allergy and Clinical Immunology (EAACI) graag weten. Daarom zijn ze in 2017 een Task Force gestart die het tot op de bodem moest gaan uitzoeken.

Wat is het placebo-effect?

Bij een goed uitgevoerde klinische studie (een test of een geneesmiddel of therapie voldoende werkt) zijn er meerdere testgroepen. Eén groep krijgt het geneesmiddel, één groep een nepgeneesmiddel (placebo) en één groep krijgt een alternatief middel. Zo kun je testen of het nieuwe geneesmiddel effect heeft. Maar wat regelmatig gebeurt, is dat patiënten denken dat een middel werkt, ook al is het een placebo. Door die positieve verwachtingen verbeteren hun symptomen. Dat noem je het placebo-effect.

Dit effect is in immuuntherapie tegen allergie erg sterk; soms zelfs bijna even groot als bij het echte geneesmiddel, waardoor dat wordt afgekeurd wegens te weinig verschil.

De psychologische en lichamelijke factoren die bijdragen aan de positieve of negatieve ervaring van de patiënt tijdens een klinische studie zijn nog niet genoeg in kaart gebracht. Wel is bekend dat het placebo-effect afhangt van de werking van je prefrontale cortex (voorste deel van je hersenen) en intensieve communicatie tussen je centraal zenuwstelsel en je immuunsysteem. Dit kun je bekijken op een MRI-scan.

Het EAACI-onderzoek

Er zijn fysieke redenen dat placebo’s zo goed werken bij allergische reacties. Zoenen of luisteren naar muziek kan bultjes bij allergie verminderen, en astmapatiënten die een grappige film zagen, werden minder benauwd. De hormonen die vrijkomen bij een positieve ervaring of verwachting, kunnen namelijk een effect hebben op je immuunsysteem.

Met het onderzoek van de EAACI kunnen nieuwe richtlijnen voor klinische proeven worden opgesteld, die het placebo-effect zoveel mogelijk verkleinen. De Task Force wijst een aantal manieren aan om dat te doen. Bijvoorbeeld minder vaak gebruik maken van een placebo, en patiënten beter informeren. Ook doet een arts er goed aan rekening te houden in de communicatie met het medisch verleden van een patiënt en wat de media zeggen over nieuwe therapieën. Eventuele hooggespannen verwachtingen temperen of juist angst voor bijwerkingen wegnemen kan de uitkomst van de studie verbeteren. Verder kunnen de patiënten beter over de onderzoeksgroepen worden verdeeld, door vooraf specifiekere vragen te stellen over hun klachten en omgeving. Tenslotte is beter bijhouden van waar en wanneer het placebo-effect precies optreedt, nodig om in de toekomst nog betere maatregelen te nemen.

Bron van dit artikel: EAACI Position Paper, onlinelibrary.wiley.com